NOVA SCOTIA DUCK TOLLING RETRIEVER
FÉDÉRATION CYNOLOGIQUE INTERNATIONALE (F.C.I.)
STANDAARD NO 312 a (erkend 15 november 1982)
 
 

 
NOVA SCOTIA DUCK TOLLING RETRIEVER
FÉDÉRATION CYNOLOGIQUE INTERNATIONALE (F.C.I.)
STANDAARD NO 312 a (erkend 15 november 1982)
 
 

totale verschijning


De Toller is een middelmatig grote, krachtige, compacte, goed in balans zijnde, gespierde hond. Middelmatig tot zwaar in bot, met een hoge graad van beweeglijkheid, attentheid en vastberadenheid.
Veel Tollers hebben een ietwat treurige (trieste) uitdrukking, totdat ze aan het werk gaan, want dan verandert hun aanblik in een intense concentratie en opwinding. Tijdens het werk toont de hond een snelle, haastige activiteit, waarbij het hoofd bijna in één lijn met de rug gehouden wordt en de zwaar behaarde staart is constant in beweging.

temperament

De Toller is hoogst intelligent, gemakkelijk te trainen en heeft een enorm geduld. Hij is een goede, kundige zwemmer. Hij is een geboren vasthoudende apporteerder te land, zowel als vanuit het water. Steeds attent om bij het eerste teken in actie te komen als er apporteerwerk wordt verlangd. Zijn sterke apporteerdrang en zijn speelsheid zijn de essentiële kwaliteiten voor lokkers-bekwaamheid.

maat en gewicht

 De ideale hoogte voor reuen (vanaf 18 maanden) is 48 tot 51 cm. en voor teven (vanaf 18 maanden) 45 tot 48 cm. Tot 3 cm. onder of boven de genoemde maten is toegestaan.Het gewicht moet in verhouding zijn tot de hoogte en de botstructuur van de hond. Als richtlijn kunnen we uitgaan bij volwassen reuen: 20 tot 23 kg. en voor volwassen teven 17 tot 20 kg.

de vacht

 De Toller is gefokt voor het apporteerwerk uit ijskoud water en moet dus een dubbele vacht hebben, die waterbestendig is. Verder is de vacht van middelmatige lengte en zachtheid, met een zachte maar zeer dichte ondervacht.
De vacht mag een lichte golving op de rug hebben, maar verder is de vacht recht. (Sommige wintervachten vormen bij de keel wat langere, losse krullen in de vacht.) De bevedering aan de keel, achter de oren en achter de dijen (broek) is tamelijk zacht. De voorbenen zijn matig bevederd. 

voorhand en schouders

De voorpoten moeten eruitzien als sterke, rechte pilaren. Moeten goed gespierd zijn, met de schouderbladen goed schuin en goed aangesloten tegen het lichaam, zodat de schouderpunten vloeiend overgaan in de ruglijn. De opperarm en het schouderblad zijn ongeveer even lang. De ellebogen moeten goed aansluiten tegen het lichaam (niet uit-stekend of inknijpend) om een mooi gangwerk te bevorderen.

De voeten zijn van middelmatige grootte, rond, gesloten met dikke voetkussens en voorzien van zwemvliezen. Wolfsklauwen mogen verwijderd worden De middenvoeten zijn sterk en iets gebogen.

lichaam

Diepe borst met goede ronde ribben, reikend tot aan de ellebogen. De rug is kort en recht, de toplijn is vlak. De lendenen zijn sterk en gespierd. Geen tonvormige ribben en geen vlakke ribben. Gespierde, brede en vierkante verschijning in lichaam.

achterhand

De achterhandhoeking moet in balans zijn met de hoeking van de voorhand. De dijen zijn gespierd, boven- en onderbeen zijn even lang. Goed gehoekte knieën en laag geplaatste hakken (sprongen), die niet naar binnen of naar buiten gedraaid mogen zijn. Wolfsklauwen mogen aan de achterhand niet voorkomen.*

    * sinds 1 juli 2014 is het verwijderen van wolfklauwen/bijklauwen in Nederland wettelijk verboden. Keurmeesters zijn hiervan op de hoogte. 

de kleur

De kleur is een variatie van nuances in rood of oranje met lichtere bevedering aan de onderkant van de staart. Gewoonlijk is één van de volgende witte markeringen te zien: puntje van de staart, voeten, borst en bles. Een hond met hoge kwaliteiten mag niet teruggezet worden bij gebrek aan witte markeringen.
Het pigment op de neus, lippen en oogleden mag vleeskleurig zijn (afhankelijk van vachtkleur) of zwart.

de kop

Het hoofd is welgevormd en licht wigvormig. De brede schedel is slecht iets rond, de jachtknobbel is niet opvallend en de wangen zijn vlak. De goede schedelmaat voor een volwassen reu zou 14 cm. zijn tussen de oren en dan tapsgewijs aflopend naar 3,8 cm. op de neusrug. De lengte van de schedel (bij benadering) 23 cm. van de neus tot de jachtknobbel, maar het hoofd moet wel in verhouding blijven tot het lichaam.

De oren zijn triangelvormig (driehoekig) en van middelmatige grootte. Ze zijn iets naar achteren geplaatst aan de schedel. De oorbasis wordt enigszins rechtop gedragen, is goed bevederd vanaf de plooi. De ronde oorpunten zijn kortbehaard.

De voorsnuit loopt in een mooie tapse lijn van stop tot neus met een sterke onderkaak, maar niet vooruitstekend. De onderlijn van de voorsnuit loopt in een bijna rechte lijn van de mondhoek naar het kaakbot, waarbij de diepte bij de stop groter is dan bij de neus. Het haar op de voorsnuit is kort en fijn.
De neus heeft grote, goed openstaande neusgaten en de kleur van de neus is afhankelijk van de vachtkleur: vleeskleurig of zwart.
De lippen zijn vrij goed gesloten, met een zachte lijn in profiel zonder zwaarheid of hanglippen. Een korrekt gebit is een goed gesloten schaargebit. Een volledig gebit (alle 42) is een vereiste. De kaken zijn sterk genoeg om een vogel van flink formaat (eend, gans) te dragen. Zachtheid in de mond is van essentieel belang.
De ogen staan goed uit elkaar, zijn amandelvormig en middelmatig in grootte. De kleur is amberkleurig tot bruin. De expressie (uitdrukking) is vriendelijk, waakzaam en intelligent. De oogranden moeten dezelfde kleur hebben als de lippen.
De nek is sterk gespierd en goed geplaatst, van middelmatige lengte, zonder vorming van keelhuid.

de staart

Deze volgt de natuurlijke, iets gebogen lijn van de croupe (kruis), breed aan de basis, rijkelijk en zwaar behaard, met de laatste wervel reikend tot aan het spronggewricht.
De staart mag beneden het niveau van de rug gedragen worden, behalve wanneer de hond attent is, dan gaat de staart in een boog hoog over de rug, zonder het lichaam te raken.

het gangwerk

De Toller combineert de impressie van energie met een veerkrachtig, vrolijk gangwerk met goede paslengte in de voorhand en sterke stuwing in de achterhand. De voeten staan recht (niet naar binnen of naar buiten) en de benen bewegen in rechte lijn. Bij hogere snelheid gaat de hond éénsporig, waarbij de ruglijn vlak blijft.

de fouten

(aan te rekenen in verhouding tot de zwaarte van de fout)
Honden met meer maatverschil dan 3 cm. onder of boven de ideale hoogte;
bovenbijters;
te sterke stop;
te korte staart, haakstaart of op de rug gekrulde staart;
tekort aan massa bij volwassen dieren;
gebogen neusrug (op- of neerwaarts);
grote ronde ogen;
pigment die niet aan de voorgeschreven kleur voldoet;
helder rose neus;
lange of spreidvoeten, doorgezakte middenvoet;
open vacht;
gekromde of doorgezakte rug, slappe lendenen;
te laag gedragen staart in actie.

de diskwalificaties

witte plekken op schouders, rond de oren, boven op de nek op de rug of op de flanken;
zilverkleurige vacht, grijs in de vacht of zwarte platen;
geen zwemvliezen;
ondervoorbijter of scheve mond;
elke vorm van schuwheid bij volwassen dieren;
gevlekte neus;
bovenvoorbijter (meer dan 1/8 inch = 3 mm.)
elke kleur anders dan nuances van rood of oranje.
reuen moeten twee normaal gevormde teelballen bezitten, die volledig in de balzak zijn ingedaald.
 


 
 
 

CH_Belg_Zo_thumb.jpg